Ik prijs me gelukkig dat ik al deze liedjes opgeschreven en bewaard heb in de loop van de kleine-kinderjaren van mijn kinderen. Ik zing ze nog allemaal zo weg! Dus, gewoon voor de leuk, schrijf ik ze hier neer.
=
Eén, twee, drie, vier
Hoedje van, hoedje van
Eén, twee, drie, vier
Hoedje van papier
Als ’t hoedje niet meer past
Zet je ’m in een glazen kast
Eén, twee, drie, vier
Hoedje van papier.
=
Schuitje varen,
Theetje drinken
Varen we naar de overkant
Drinken we zoete melk met room
Zoete melk met brokken
Kindje mag niet jokken
Poesje zit in ’t zonnetje
Te kijken door de ruiten
Poesje lief wat zie je toch
Wat zie je toch daar buiten
Ik zie kindertjes op de straat
‘k zie ze al dansen
Al op de maat
=
Klap eens in de handjes
Blij, blij, blij
Op je boze bolletje, Allebei
Handjes in de hoogte
Handjes in de zij
Zo varen de scheepjes voorbij
Zo varen de scheepjes voorbij
=
Dit zijn mijn wangetjes
Dit is mijn kin
Dit is mijn mondje
Met tandjes erin
Dit zijn mijn oogjes
Mijn oortjes
Mijn haar
Nu nog mijn neusje
En dan ben ik klaar
=
Hoofd, schouders, knie en teen
Knie en teen
Hoofd, schouders, knie en teen
Knie en teen
Oren, ogen,
Puntje van mijn neus
Hoofd, schouders, knie en teen
Knie en teen
=
Met de vingertjes, met de vingertjes
Met de platte, platte, platte, platte handjes
Met de vuistjes, met de vuistjes
Met de elleboogjes,…. POEF!
=
Poesje mauw
Kom eens gauw
Ik heb lekkere melk voor jou
En voor mij
Rijstebrij
Oh wat heerlijk smullen wij
=
Hondje blaf
Waf, waf, waf
Blijf eens van mijn lekkers af
Aardig dier
Kom eens hier
Samen maken wij plezier
Ei, ei, ei
We zijn zo blij
Want …(naam) die is jarig
En dat vieren wij
Ei, ei!
=
Op een heel smal bruggetje
Liep een krokodilletje
Ieder die hij tegen kwam
Beet hij in zijn billetje
Stoute, stoute krokodil
Bijt jij zomaar in mijn bil?
Zal ik de politie halen?
Dan moet jij mijn billetje betalen!
=
In de maneschijn
In de maneschijn
Klom ik op een ladder
Door het raamkozijn
Maar je raad het niet
Maar je raad het niet
Zo doet een vogel
En zo doet een vis
Zo doet een duizendpoot
Die schoenenpoetser is
En dat is één
En dat is twee
En dat is dikke, dikke
Dikke tante Kee
En dat is recht
En dat is krom
En zo draaien wij
Het wieltje nog een om
Rom, bom
=
Hop, hop, hop
…(naam) in galop
…(naam) op een hobbelpaardje
Hop, hop, hop
=
Jan Huijgen in de ton
Met een hoepeltje erom
Jan Huijgen, Jan huijgen
En de ton die viel in duigen.
=
Visje, visje in het water
Visje, visje in de kom
Visje, visje kan niet praten
Visje, visje keer je om
=
Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven
Heb je wel gehoord van de zevensprong
Ze zegt dat ik niet dansen kan
Ik kan dansen als een edelman
En dat is één, dat is twee
Dat is drie, dat is vier
Dat is vijf, dat is zes
En dat is zee-hee-ven
Op een grote paddestoel
Rood met witte stippen
Zat kabouter Spillebeen
Heen en weer te wippen
Krak! Zei toen de paddestoel
Met een diepe zucht
Allebei zijn beentjes
Hoepla! In de lucht
Maar kabouter Spillebeen
Wilde weer gaan wippen
Zocht een ander stoeltje uit
Rood met witte stippen
Daar kwam vader Langbeen aan
En die riep toen luid:
Moet dat stoeltje ook kapot?
Spillebeen, schei uit!
=
Klein rood autootje
Waar ga jij nou naartoe?
Naar alle zoete kindertjes
En naar het koetje BOE!
En de handjes gaan van
Klap-klap-klap
En de voetjes gaan van
Stap-stap-stap
Klein rood autootje
Waar ga jij nou naartoe?
=
In een vliegmachien,
in een vliegmachien
kun je alle hoge bergen zien
als we vliegen over land en zee
als je wilt dan mag je ook eens mee
naar omhoog
in de lucht
als een vogel in zijn vlucht
=
Er was er eens een brievenbus
Die op een pleintje stond
Een mooie rooie brievenbus
Hij had een open mond
Daar gingen alle brieven in
De hele dag maar door
En nu en dan kwam er een man
Van ’t grote postkantoor
Die haalde dan de brieven
Uit de brievenbus zijn buik
En deed ze in een grote, grote zak
O- jongens ’t ging zo puik
Maar gist’ren zei de brievenbus
Nou doe ik het niet meer
Ik heb er schoon genoeg van
Leg die brieven daar maar neer
Hij deed zijn mond dicht met een klap
En deed hem niet meer open
En alle mensen kwamen daar
Met brieven aangelopen
Ze riepen de bus is dich
Hoe kan dat nou, ze hé
Doe nou je mond een open brievenbus
Maar de brievenbus zei: Nee!
Toen kwam de directeur,
De directeur van ’t postkantoor
Die kwam daar met een hamer
En een beitel en een boor
Maar wat hij ook probeerde
’t Hielp allemaal geen steek
De brievenbus bleef dicht en werd alleen een beetje bleek
Maar toen kwam kleine Peter
Die zei: Oh alsjeblieft
Doe nou je mond een open brievenbus
Want ik heb zo’n mooie brief
En als je ’t dan voor mij niet doet
Dan voor deze dame
En toen begon de brievenbus
Zich vreselijk te schamen
Hij werd nog roder dan hij was
En riep pardon pardon
Hij deed zijn mond wijd open zeg
Zo wijd als hij maar kon
En alle mensen dansten om hem heen
En alle mensen zeiden
Je bent de allerbeste brievenbus
Van heel de posterij-ij-en.
=
We zaten met een zucht
Daarboven in de lucht
We zaten zo gezellig in een schui-hui-tje
En niemand kon ons zien
We hadden pret voor tien
Lang leve de zappelî-hî-hî-hin
=
De wielen van de bus
gaan rond en rond
rond en rond
rond en rond
de wielen van de bus
gaan rond en rond
heel de dag
Daar komt een muisje aangekropen
En in …(naam)’s nekje gelopen!
=
Twee handjes op de tafel
Twee handjes in de zij
Twee handjes op je schoudertjes
Op je hoofdje allebei
Nu maken we twee vuistjes
En weet je ook waarom?
Daar gaan we dan mee trommelen
Van je rommel-de-bommel-de-bom
De duimpjes zijn het dikste
De pinkjes zijn maar klein
Nu moeten alle handjes
Op de ruggetjes zijn
Waar zijn ze nou gebleven?
Ik zie geen handjes meer!
Waar zijn ze nou gebleven?
Ha ha! Daar zijn ze weer!
Vijf vingertjes hier
En vijf vingertjes daar
Dat zijn de handjes bij elkaar!